ROMANS

Mat Vaassen matvaassen

DE BETEKENISLOZEN

Nadat hotel En Soi is afgebrand gaan eigenaar Heinz, zijn personeel en gasten op een tocht langs de dood. Onder de gasten onder andere een sprookjeskoning die kunstschilder wil zijn en een sprookjesprins die een baarmoeder moet stelen, een tot papegaai omgetoverde psychiater, een schrijver die zijn verhalen koopt, een choreograaf zonder dansers, een neurotische kantoorjuffrouw met huidloslating, twee Japanse tieners drijvend in apathie. En dat toch wel zeker realistisch.

X

Tegen de tijd dat Sakiko gedraaid was en tegen de wind in terug was gelopen, was Kiyoshi klaar met het graven van een kuil. De schep stak ernaast in de berg nat zand. Langzaam liet Kiyoshi zich in de kuil zakken die zo diep was dat hij er rechtop op zijn knieën in kon zitten en alleen zijn hoofd boven het strand uitstak. Als een kapitein die niet een schatkist met goudstukken maar zichzelf begraaft, met zijn hoofd als herkenningsteken om hem ooit terug te vinden. Zijn gezicht wees naar de duinrand, zijn achterhoofd naar de aanrollende zee, Zijn selfiestick met daarop de iphone stak schuin omhoog uit de kuil. Sakiko nam de schep en begon de kuil dicht te scheppen totdat alleen Kiyoshi’s hoofd en de iphone boven de zandvlakte uitstaken. Het zou nog wel een tijdje duren voordat de golven tegen Kiyoshi’s achterhoofd aan zouden rollen, ze zijn nek, kaak en kin zouden omsluiten en weer wegrollen, opnieuw aanrollen, zijn neusgaten vullen en zich terugtrekken, over de rand van zijn onderste oogleden zwemmen en zijn oren vullen. Uiteindelijk zou de pet met de glinsterende lovertjes opgetild worden en wegdrijven op het zoute water. Sakiko stak de schep in het zand naast het hoofd van haar broer en liep zonder naar hem te kijken weg. Elke stap vochten haar gympen tegen het wegzakkende zand dat een natuurlijke gang onmogelijk maakte.

X

‘Maar ik …’ protesteerde Higan. De greep van het oudje was een stuk steviger en haar kracht heel wat groter dat Higan verwacht had. Hij liet zich enigszins perplex door de absurde situatie meetrekken, maar zou haar zometeen wel duidelijk maken dat seks met haar er echt niet in zat. Hij gruwde van het idee alleen al. Maar de situatie zou zo wel opgehelderd worden. En misschien, zo dacht zijn schrijversbrein, zou hier een bijzondere bijdrage aan zijn roman in zitten.

Hoe belachelijk hij zich ook voelde in slowmotion als een klein kind aan de gerimpelde hand van een oude vrouw de trap omhoog geleid te worden, hij zweeg verder en begon er zelfs een klein beetje de komische kant van in te zien.

‘Vijftig euro,’ zei de vrouw meteen bij binnenkomst in een kamer die Higan deed denken aan de zondagse kamer van zijn Tsjechische grootmoeder, die zoals de benaming al zei alleen op zondagen in gebruik werd genomen. In deze kamer, waar hij nog geen anderhalve week geleden aan de muur schilderijen van schaars geklede vrouwen had zien hangen, waar kitscherige met naakte engeltjes beschilderde schemerlampkapjes rond roze en rode peertjes golfden, waar een bed stond met een roze sprei met een nachtkastje ernaast met een doos tissues en een doos condooms, hingen nu geborduurde schilderijtjes van molens en poezen aan de muur, hadden de schemerlampkapjes een bloemenmotief en stond een oud houten bed met een geborduurde sprei met een nachtkastje ernaast waarop een crucifix stond met een Jezus eraan. Als dit een grap was, was het wel een grap waar men zich aardig voor had uitgesloofd. De oude vrouw ging in een schommelstoel zitten en gebaarde Higan tegenover haar op een houten stoel plaats te nemen.

‘Vijftig euro,’ zei de vrouw weer. ‘Wat is je klacht.’

‘Mijn …?’ Higan herinnerde zich het bord naast de ingangsdeur. Huis der Klachten. Hij haalde langzaam zijn portemonnee uit zijn jaszak, terwijl hij het gezicht bestudeerde van het vrouwtje, dat hem strak aankeek met ogen waarover een grijze waas lag. De uitdrukking op haar gezicht verried geen enkele interesse in de persoon van Higan.

Meende hij iets in het oude gezicht te herkennen van de jonge Rosaline die hij onlangs nog bezocht had? Hij projecteerde in zijn hoofd de volle, glimlachende mond van het meisje op de gerimpelde scheur in de oude huid die de mond van de oude vrouw voorstelde.

‘Rosaline, heet u eigenlijk Rosaline?’ floepte hij eruit, het concept van de tijdmachine als partygag volgend en overwegend dat de vrouwen allemaal sublieme maskers en contactlenzen droegen. Toen hij de vraag stelde, voelde hij meteen hoe onnozel die was. Bovendien had hij haar hand gevoeld en gezien. Dat was zonder twijfel de hand van een oude vrouw.

‘Miranda heb ik gezegd. Niet goed?’

‘Oh jawel, Miranda is een mooie naam, alleen ik dacht even …”

Pas toen Miranda knikte in de richting van Higans portemonnee realiseerde hij zich dat de vingers van zijn rechterhand nog in de portemonnee rustten zonder dat hij het biljet van vijftig eruit had gehaald.

‘Komt er nog wat van, ik heb niet de hele dag. Vijftig euro, stop je klacht in mij.’

‘Wat?’

‘Voor speciaaltjes, klacht mijn rug op, betaal je zeventig.’

Higan zag dat ze maar één tand in haar mond had. De tand, die aan de voorkant in haar bovenkaak zat, wiebelde als ze sprak. Onwillekeurig rilde hij. Omdat de vrouw hem een vuile blik gaf, stak hij snel de vijftig euro in haar richting. Een knokige hand greep het biljet nog voor het dichtbij haar was en schoot ermee naar haar vlekkerige en met ontelbare lijnen getekende nek waar het snel onder het verschoten witte kraagje in haar jurk verdween.

‘Heette dit huis niet vroeger het Huis der Zuchten?’ vroeg Higan, alsof hij als in een sprookje voor de betaalde vijftig euro drie vragen mocht stellen.

‘Nee,’ antwoordde de vrouw kortaf. Daarna bleef haar mond resoluut gesloten, zodat Higan zich met het antwoord tevreden moest stellen. Terwijl hij bedacht wat hij voor een klacht bij de vrouw kon deponeren, zag hij dat het oude gezicht ineens zachter werd, alsof ze het niet langer volhield streng te kijken.

‘Wat is je klacht, schatje?’ glimlachte het vrouwtje bemoedigend.

‘Nou…,’ aarzelde Higan.

Hij vond het enigszins gênant te zeggen dat hij hier was gekomen voor seks en dat hij best de klacht wilde indienen dat de hoeren vandaag wel erg oud en lelijk waren.

‘Eh, ik kwam hier eigenlijk een verhaal halen.’

‘Je wilt verhaal halen? Je voelt je benadeeld? Je bent genaaid?’ Het vrouwtje keek Higan met een spottende trek rond haar doorkerfde lippen aan.

Nee, dat is het hem nou juist, wilde Higan sarcastisch repliceren, maar het vrouwtje was hem voor.

‘Te weinig genaaid. Te weinig seks. De lieve echtgenote heeft steeds zogenaamd hoofdpijn? Is dat je klacht?’

‘Nee, ik was eigenlijk van plan … ik bezoek prostituees, af en toe, en schrijf dan ook dingen op voor mijn roman.’ Higan had het gevoel dat de vrouw tegenover hem genoeg jaren op haar botten had om nergens van op te kijken. Hij moest het maar zeggen zoals het was. ‘Maar nu is het etablissement dat ik bezoek veranderd in dit …’

‘Is dat werkelijk je klacht, jongeman? Je wilde seks en nou zit je tegenover een oud lijk. Je wilde geile praat voor je vunzige romannetje en nou denk je dat ik je over de oorlogswinter ga vertellen? Hoe ik tulpenbollen vrat toen ik nog tanden had?’

Higan zag een ondeugende sprankeling in de ogen van het vrouwtje en hoorde ineens een brutale toon in haar stem die hem de mond snoerde maar hem tegelijk fascineerde.

‘Ik geloof er niks van, jochie.’ Miranda’s ogen keken ondanks de grijze staar recht in Higans ogen met een intensiteit die hem het gevoel gaf dat ze in zijn ziel wilden kijken.

‘Wat is je klacht?’ vroeg ze plots op bevelende toon.

‘Ik …’ stamelde Higan.

‘Wat is je klacht?’ herhaalde ze, nog feller.

Even was Higan bang dat ze uit haar schommelstoel op zou springen en hem naar de keel vliegen.

‘Wat is je werkelijke klacht? Wat maakt je leven tot een hel?’

Higans hoofd werd ineens wazig. Was hij gedrogeerd? Maar hij had niets gedronken of gegeten. Hij moest iets zeggen. Ze had wat gevraagd. Hij moest iets aanleveren. En het eerste wat hem te binnen schoot was; ‘ Poef.’

Ah, zei de oude vrouw en leunde achterover in haar stoel. ‘Nu komen we ergens. Poef.’

‘Je leeft,’ stroomden ineens woorden uit Higans mond die hij zelf niet leek te formuleren, ‘en ineens Poef. Weg ben je. Niets blijft er achter. Mijn vader is mijn hele leven belangrijk voor me geweest. Ik kon me niet voorstellen dat de wereld zou bestaan zonder hem erin. Onmogelijk. Hoewel ik natuurlijk als iedereen weet dat aan elk leven een eind komt. Maar toch, op een dag Poef. En weg was hij en weg is hij en niets is er over. Ik heb hem in twee van mijn romans opgevoerd. Om hem te behouden. Voor de wereld. En hij bestaat in mijn herinneringen. Maar herinneringen spiegelen dingen voor die waren, niet die zijn. En boeken zijn geen mensen. Mijn vader is er gewoon niet meer. En mijn vriend, Sybren, heeft zelfmoord gepleegd. Hij was schrijver net als ik. Er zijn twee kleine novellen van hem gedrukt, maar dat is inkt op papier. Sybren was weg, Poef. Niets is over van Sybren. Gecremeerd, as, verwaaid. Geen noemenswaardig bestaan meer. Bovendien heeft hij niks bereikt. Zijn novellen zijn van geen grote literaire waarde. Haast niemand kent zijn naam. Misschien als hij beroemd was geweest, gevierd … nee, dan nog had het niets uitgemaakt, denk ik. En ik …

‘Poef!’ gilde Miranda en wierp haar handen in de lucht. ‘Poef, hihihi.’ Haar ene tand wiebelde zo hard dat Higan bang was dat hij eruit zou vliegen. ‘En weg ben je. En niets meer van je over. Zelfs je boeken kunnen je niet redden.’

‘Nee.’

‘Een terechte klacht. Heel terecht. Die klacht hebben we allemaal te klagen, mijn jongen. De klacht der zinloosheid. Je komt hier om je zaad te lozen bij een of ander onnozel hoertje. Zoals al die hoerenlopers. Maar jij wilt meer. Jij wilt hier leven komen halen. Dat leven stop je in je boeken. Die boeken laten jou leven. Maar dat is maar zolang je leeft. Daarna; Poef en alles is weg. Schrijvertje weg, hoerenlopertje weg, leven weg, Maar nu leef je nog. En nu kijk je terug op je leven en je bent niet tevreden omdat het straks niet genoeg is geweest. En al was het genoeg, dan was het nog voor niks geweest. Ik hoor je klacht, lieve jongen. Ik zuig met mijn bijna tandeloze mond aan je klacht als een hoer aan je slurf. Ik ga op mijn knieën zitten en je mag je grote klacht achterlangs in mijn oude gerimpelde poes steken, hahaha. We vangen hem op in een condoom en leggen er een knoop in. Je mag hem mee naar huis nemen, je klacht, want hij is van jou. Je mag je klacht als je genoeg betaalt in mijn reet steken, zonder condoom, en ik laat hem oplossen in mijn lichaam. Maar je zult morgenvroeg opnieuw wakker worden met je klacht. Hij zal onder je dekens omhoog steken en kloppen met elke stoot bloed die je hart door je lijf pompt. Want waar je ook voor betaalt in het leven, wat je ook koopt, waar je je stinkende slijm ook in spuit, in welk mooi meisje of in welke verlopen ouwe hoer, waar je je zaad ook tegenaan slingert, tegen welk behang of op welk tapijt, het doet er niet toe. Je geld is weggesmeten geld. Je liefde is verspilde liefde. Je boeken kunnen zo het riool in, schrijver. Al je klachten kan je net zo goed over de stoep uitsmeren. Ze zijn zo zinloos als het leven. En hou ze ook maar voor je ook, want ze zijn net zo vervelend als het leven. Niemand wil ze van je horen. Behalve in het Huis der Klachten waar je betaalt om ze gehoord te krijgen. Er bestaat geen wijsheid, geen advies en er zijn geen voorspellingen die ertoe doen. Er bestaat voor jou niets dan dit korte leventje van je. Daarvoor bestond niets, erna bestaat niets. En dit korte leventje stelt nog minder voor dan een druppel spuug die op een hete plaat even sist en dan verdampt. Je denkt dat je nog steeds sist, maar je bent al aan het verdampen, hoerenloperschrijver. Je bent vogelvrij, mijn jongen. Op je hoofd staat een prijs, en geloof me, die prijs zal geïnd worden. Sterker nog, mijn jongen, die prijs is al lang geïnd. Hahahahaha! En nou wegwezen. Ik heb andere klanten met klachten vandaag. Rot op, miserabele Quasimodo met je bochel en je lange nek en je vettige haar. Ga je haar wassen, hihihi, zo lang tot het uitvalt en je kaal bent. Dan zie je er nog akeliger uit. Ga in je stomme boeken klagen. Kom hier niet meer terug. Wij hebben geen verhalen voor je. Haal ze maar uit je eigen kop.’

Ze duwde haar oude lijf uit de schommelstoel omhoog en strompelde naar de deur.

‘Te lang gezeten. Mijn benen zijn zo stijf als planken. Het is verschrikkelijk om oud te zijn, dat kan ik je zeggen. De hel is het.’

Ze opende de deur en wachtte tot Higan de drempel over was.

‘Ik haat klagers. Bah! Niks ergers dan mensen die klagen.’

X

Een paar uur hadden ze gereden over een ijsplateau toen ze bij een diep dal aankwamen. Als een

tolhuis naar het dal stond een houten huisje, de vloer gelijk aan het hoge plateau, op lange palen die ver beneden in de steile helling staken. Een smal bruggetje leidde naar de voorkant van het huisje. Op het dak lag een dik glad tapijt van sneeuw dat in de zon glinsterde alsof er diamanten in geweven waren en van de dakrand hing een gordijn van glinsterende ijspegels. Naast het huisje staken zwarte toppen van dennenbomen in de lucht die niet veel hoger kwamen dan de onderkant van het tolhuis, dennenbomen waarvan de wortels diep beneden in de helling verankerd zaten. Evenwijdig aan de hoek van de helling daalden de boomtoppen de vallei in, om als een zwartgroen tapijt bestrooid met poedersuiker ver weg aan de andere kant van de vallei weer te stijgen tot een hoogte waar de bomen het moesten opgeven tegen de hoge, kale rotswanden van een bergmassief.

Onder het afdak zat een kleine uitgeteerd uitziende man een lange, dunne pijp te roken. Behalve de omhoog kringelende rook bewoog niets in het beeld dat de drie ruiters voor zich zagen. Met een hoofdknik beduidde prinsJur zijn metgezellen af te stijgen.

Terwijl ze het oude bruggetje opstapten, ongewis of ze niet in overtreding dan wel onwelkom waren op het bruggetje van de tolhuisbewoner, huiverden ze van de diepte beneden hen die door de spleten tussen de planken donker en onheilspellend lokte. Ze beseften dat ze alle drie dood zouden zijn als de krakende oude brug het zou begeven.

Even vroeg prinsJur zich af, ondanks de rook die van de pijp opsteeg, of de man niet jaren geleden overleden was en hier door de vrieslucht gemummificeerd al die jaren op zijn houten bankje in het niets zat te staren terwijl hij wachtte op reizigers die mogelijk nooit zouden komen. Het tegen de schedel getrokken vlees van de kleine man leek dor en hard als gedroogde en gezouten vis. Zijn jukbeenderen staken uit als ribben en de invallende kieslijn was zo zichtbaar dat de kiezen haast te tellen waren. Onder een spitse neus sliepen hele dunne lippen die eruit zagen alsof ze in geen tijd door de geringste druppel spuug bevochtigd waren en onder een harde kin hing het droge vel van zijn kippennek als een gordijntje naar beneden. PrinsJur keek in de bevroren pupillen van grote oogballen, die onder de dunne oogleden in hun kassen leken te liggen alsof ze er bij de geringste beweging uit konden schieten. Toen gleed prinsJurs blik een moment lang naar het extreem uitgedoste tweetal naast zich en realiseerde hij zich dat hijzelf een roze hemd droeg, een turqoise broek en jack en witte puntige laarzen en dat zij wel een vreemdere verschijning waren dan de oude man.

‘Wij willen naar de he…,’ bijna had hij heks gezegd, ‘prinses van het Oosten,’ sprak hij onvast, schraapte zijn keel en zei nogmaals, dit keer klonk het haast als een bevel: ‘Wij willen naar de prinses van het Oosten, oude man.’

De knokige hand bewoog plots alsof er een muntje in een mechanische pop gestoken was en trok de dunne pijpensteel tussen de smalle lippen vandaan, waarop deze zich krulden in een spottend lachje. De zwarte ogen gaven een korte tik naar links en naar rechts en trokken toen in een langzame beweging langs de gezichten van de drie bezoekers.

‘Wörter,’ kraakte een iele stem. Toen was er een tijdje stilte, terwijl de pijp weer tussen de lippen gestoken werd en een wolkje rook uit een mondhoek tevoorschijn kwam.

‘Jullie bringen woorden.’ Het oude mannetje keek prinsJur aan. ‘Wie woorden geeft, krajgt woorden zurück. Weet je dat dan niet?’

Het oude mannetje begon bij het gezegde zijn dunne armen met onverwachts krachtige bewegingen te bewegen alsof hij een massa strijders vanuit de vallei omhoog wenkte om hem bij te staan tegen de onbeschofte vreemdelingen die zijn rust kwamen verstoren. De pijp trilde als een riet vanaf zijn lippen. Zijn bolle ogen sperden zich open tot slechts een smal rimpelig vel boven en beneden zorgde dat ze op hun plaats in de kassen bleven.

‘Wat doe je, ouwe? Ik wil de …’ Maar prinsJur viel stil toen hij plots te zien kreeg wat de bewegingen van de man bewerkstelligden. Woorden, geschreven in de duistere vallei tussen de zwarte dennen rezen tussen de toppen aan weerszijden en aan de achterkant van het houten huisje in de lucht omhoog als vliegende reclameboodschappen, alsof ze op onzichtbare vlaggen geprint waren. Ze krulden en slingerden omhoog, hoger en hoger, alsof ze zich groepeerden om een tekst te formeren in de lucht.

In Kiyoshi’s ogen glinsterde opwinding toen hij zijn telefoon pakte en de camera in werking stelde. Sakiko keek met haar grote ogen kinderlijk blij naar het spektakel. Maar prinsJur was op zijn hoede. Hij kende de valse trucs die heksen verzonnen om zich te beschermen tegen indringers.

ZUM TODE BETRÜBT hing hoog boven alle andere woorden en zinnen. De drie woorden zinderden, zwart en gewelddadig tegen de bleke zon, als woorden van macht, dominant, de leiders van het roedel. Ondertussen werden de letters vetter en vetter, maakten ze zich op voor iets dat de reizigers beter niet zouden afwachten. PrinsJur voelde de dreiging en trok het zwaard aan zijn zij uit de schede. Het weerkaatste de zon op een hulpeloze, pathetische manier, als een blikken speelgoedzwaardje in de hand van een kind.

DEN ABGRUND HINEIN schoof als een buitenaards ruimteschip traag en dreigend, de eigen inhoud weersprekend, vanachter het huisje uit het duistere dal omhoog en voegde zich als een secundant links onder de leiderswoorden. SCHMERZ UND LEIDEN slingerde als een vliegende slang rechts van het  huisje omhoog en bleef net boven het dak hangen.

Het oude mannetje haalde langzaam de pijp uit zijn mond, tilde een voet op en legde hem over de knie van zijn andere been. Hij klopte met een glimlach de kop van de pijp uit tegen de zool van zijn schoen en glimlachte.

‘Wörter,’ fluisterde hij en sloot zijn ogen.

Onmiddellijk stortten de woorden in een geluidloze val naar beneden en naar voren.

‘Pas op!’ schreeuwde prinsJur, maar Kiyoshi en Sakiko staarden gebiologeerd naar de vliegende woorden. PrinsJur maakte een sprong en wierp de twee tegen de grond precies op het moment dat SCHMERZ UND LEIDEN Sakiko midden in haar borst dreigde te raken en DEN ABGRUND HINEIN langs Kiyoshi’s hoofd suizde.

PrinsJur kon niet zien dat ZUM TODE BETRÜBT grijnsde toen hij achter hem opdook en hem vol in zijn rug stak.

Even hingen alle woorden stil in de lucht. WAHN bewoog als een hemd aan de waslijn waar de wind tegenaan blaast. GRAUSAM hing tegen KRANKHEIT aan, STÜRZEN UND BLUTEN week terug. PrinsJur greep naar zijn borst, terwijl over zijn gezicht een sluier van droefheid trok zo tastbaar en zichbaar als de zwarte sluier van een rouwende weduwe. Het zwaard viel met gekletter uit zijn lamme hand. Hij had het gevoel dat de aarde zelf zich om zijn schouders klampte en hem het graf in trok. Met de zware, schokkerige stappen van een stervende man liep hij naar de ballustrade van de brug. Bij de leuning die hem van de afgrond scheidde bleef hij staan. Achter hem, hoog in de lucht, maakte ZUM TODE BETRÜBT zich op voor de fatale stoot die prinsJur voorover zou storten. De woorden weken als aan een elastiek een paar meter terug in de lucht.

‘De koffer!’ schreeuwde Kiyoshi naar Sakiko. Toen PrinsJur hem tegen de grond had gegooid, was het koffertje uit zijn hand geschoten en lag nu bij Sakiko’s voet. Ze gaf er een trap tegen. Kiyoshi greep het, opende het en trok er in één beweging iets uit dat hij met al zijn kracht in de richting van prinsJur slingerde.

‘KERSENBLOESEM VERVULT HET HART VAN DE,’ stamelde Sakiko, de Japanse tekens lezend die de plek tussen prinsJurs schouderbladen bereikten waar hem op datzelfde moment ZUM TODE BETRÜBT zou raken en hem over de ballustrade van de brug en in een zekere dood storten. De soepele zwarte lijnen van de Japanse tekens, met een magisch penseel in de lucht geschilderd, lijnen aan elkaar, vloeiend verbonden, hier los, daar elkaar amper rakend, getekende fragiele bouwsels, maar imposant als rijstpapieren draken, weefden zich in een knallende botsing der woorden door het harde Duits en reten het aan flarden. Het legioen overgebleven Duitse woorden in de lucht stroomde in schrik uiteen.

‘Kersenbloesem vervult het hart van de berenjager, hij spaart het leven van de beer,’ fluisterde Sakiko. ‘Een regel uit het gedicht van de oude dichter Kinji Yamizawa.’

‘Jaaa!’ schreeuwde Kiyoshi en slingerde vanuit zijn koffertje nieuwe tekens naar prinsJur. GELUK trof hem in zijn nek en vulde zijn hoofd met een warme zaligheid, die hem deed wankelen en misschien alsnog over de ballustrade in de afgrond had doen tuimelen als niet meteen erachteraan KRACHT zijn buik was binnengedrongen.

Het oude mannetje onder het afdak van zijn huisje was opgesprongen en stampte van kwaadheid, gooide zijn pijp op de grond, stampte nog harder toen hij zag dat zijn pijp in stukken was gebroken en gilde iets onverstaanbaars dat de woorden in de lucht als een commando moesten hebben opgevat, want ze hergroepeerden zich en maakten zich klaar voor een nieuwe aanval.

Wat Kiyoshi niet had gezien, was dat als een dunne frèle slang het woord     BRUDERMORD laaghartig over de grond naar Sakiko toe was gekronkeld en haar in haar enkel had gebeten. Sakiko had het zwaard van prinsJur van de grond geraapt en stond met het wapen in de lucht geheven, de punt gericht op de nek van haar broer achter hem. Hij draaide zich om, keek in de ogen van zijn zus die meedogenloos in de zijne keken en wist dat zijn leven hier en nu zou eindigen.

Met een elegantie en atletische souplesse die hijzelf nooit bij zichzelf voor mogelijk had gehouden zwierde Dr. Professor von Zürich over de koffer, zijn klauwen grepen en sleurden iets van de inhoud mee, en kwakten het recht in Sakiko’s gezicht. Ze verstarde, terwijl de Japanse tekens langs haar naar beneden dropen en een plas rond haar voeten vormden die zo groot was dat hij het samengaan van het Japans en het Duits verried.

‘Hahaha,’ lachte Kiyoshi, maar zijn lach klonk eerder nerveus dan uitbundig.

‘Welk woord heb je gebruikt?’ vroeg prinsJur, die toen Dr. Professor von Zürich op zijn schouder was geland snel het zwaard uit Sakiko’s handen pakte.

‘Ik heb geen idee,’ antwoordde Dr. Professor von Zürich geschrokken van zijn eigen onverschrokkenheid en daadkracht. ‘Ik ken geen Japans.’

‘Sushi. Hij heeft mijn leven gered met sushi,’ zei Kiyoshi nu duidelijk iets gekalmeerder. ‘Gaat het, zus?’ Hij streek Sakiko’s paarse haar uit haar gezicht.

‘Ik heb honger,’ antwoordde ze en haar gezicht drukte verwarring uit. Toen ze echter naar de lucht keek, waar zo groot als een olifant het woord HASS dreef in Gothische letters met krullen en scherpe steeksels als in vet brons gegoten, terwijl alle grimmige en nare woorden die ze maar kon verzinnen een leger vormden waarvan de vier gezellen met geen mogelijkheid zouden kunnen winnen, was in één keer haar zin in sushi over en haar verwarring verkeerd in ontzetting.

PrinsJur duwde de twee jongeren beschermend achter zich en stak zijn zwaard omhoog. Ook op zijn gezicht was wanhoop te lezen. Dr. Professor von Zürich krabde zenuwachtig met zijn poot achter zijn oor.

‘Heb je de bundel van Teizo Satõ mee?’ Sakiko knikte naar het koffertje dat open op de grond voor de voeten van Kiyoshi lag.

Kiyoshi knikte. Op zijn gezicht was geen hoop te lezen dat welke dichtbundel dan ook opgewassen was tegen de massaliteit van de Duitse haat en totale vernietigingszucht die hen omsingeld had en hen nu elk moment genadeloos zou afslachten.

‘Die waarin de haiku Liefde het leger staat?’

Kiyoshi knikte weer. Dit keer glimlachte hij.

X

‘Ik wil in jouw bevroren wereld rondlopen,’ zei Kiyoshi ineens.

Kiyoshi stelde zich voor hoe hij in Tokyo rondliep tussen meer dan achtendertig miljoen bevroren inwoners. Hij als enige die een trage slalom uitvoerde rond voetgangers die aan de vochtige stoep na een regenbui gelijmd stonden, onbeweeglijk midden in hun loop. Hun ogen starend in het niets. Hij alleen, met een eenzaam hart dat klopte als een reuzentrom in een wereld van stilte. Hij in zijn excentrieke kleren die helemaal niemand zag.

Alsof hij een gewijde tempel binnenliep, omzichtig, stil, betrad Kiyoshi het nachtcafé, dat in de verste verte niets gewijds of tempelachtigs had met zijn felle neonbuizen in koud blauw en roze aan het plafond, de vierkante plastic tafeltjes, hun wit gemuteerd naar dat koude blauw en roze, en frigide metallic klapstoeltjes. Het enige dat aan een godshuis deed denken was de stilte die er heerste. En mogelijk de bevroren zielen die aan hun tafeltjes zaten en achter de serveerbalie stonden, die bij Kiyoshi het soort devote respect afdwongen dat de doden in hun lijkenkisten afdwongen voordat ze het vuur of de grond in geschoven werden.

Hij liep tussen de tafeltjes door, bekeek de dikke man met bevroren zweetdruppels op zijn voorhoofd en in zijn nek, die het zoveelste van een serie sake-glaasjes tegen zijn lippen hield. Zijn ogen staarden door een waas van alcohol in het niets. Bij een meisje, te oud om nog naar school te gaan maar desondanks met een schooltas op haar rug, bleef hij staan. Als ze nog geleefd had, het was een mooi meisje, ze had een gezicht met uitgebalanceerde proporties, een fijne huid zonder een vlekje of rimpeltje, ze was in de leeftijd van Kiyoshi, had hij het nooit ook maar gewaagd zich in haar buurt te begeven, laat staan ongenood aan haar tafel te gaan zitten. Maar ze leefde niet, straalde niet het gevaar uit dat levende mensen uitstralen. Levende mensen hadden een eigen energie die botste met de energie van Kiyoshi. Soms zo heftig dat het brandde, dat het gevoel hem beving dat hij bij contact beschadigd raakte. Soms zwak. Maar altijd was het onaangenaam.

Maar dit meisje, met een pony en paardenstaart donker als zwart fluweel, in haar lag de energie nu weggesloten in ijs. Daarom durfde hij tegenover haar te gaan zitten en ongegeneerd recht in haar droevige ogen kijken. Ze verdiende geen neonlicht. Het liefst zou hij haar meenemen en met haar voor zijn raam gaan staan. Hij zou haar vertellen over de stad waar hij geen onderdeel van uitmaakte, waarin hij rondwaarde als een schim. Alsof hij degene was die niet leefde.

Hij stond op en liep naar de wc. Aan een van de beide pisbakken stond een man. Kiyoshi ging naast hem staan. Hij hoorde geen rits opengaan, geen klateren, zag vanuit zijn ooghoeken geen schokkerige afdruppelbewegingen, hoorde geen rits dichtgaan. De man stond doodstil alsof hij wachtte totdat zijn blaas het vocht vrij zou geven. Zelf had Kiyoshi moeite te plassen met iemand naast zich. Als de ontlading te lang uitbleef en daarmee de gène steeds groter werd, pakte hij in en ritste hij dicht, onverrichterzake, en verliet als een geslagen hond de ruimte. Maar nu verliep alles zonder enige moeite. Een flinke straal verliet vijftien seconden lang zijn lichaam. Hij sloeg de laatste druppels af, propte zijn piemel naarbinnen en deed zijn gulp dicht. Toen keek hij over het okselhoge schot tussen hem en de man. Een onsmakelijke worst hing tussen de dikke vingers van de man terwijl een bijna rechte gele straal als hard geworden glas naar de bodem van de pisbak leidde, waar bevroren gele druppeltjes waren opgesprongen en star in de lucht blijven hangen. Kiyoshi keek van de vlezige worst die hem afstootte naar het vlezige gezicht dat hetzelfde effect in hem opriep. Kon het zijn dat er van deze man gehouden werd, vroeg hij zich af. Was er iemand, een vrouw, die van dit lichaam hield? Kiyoshi had zich ook nooit kunnen voorstellen dat er een vrouw van zijn lichaam zou kunnen houden. Ook al was zijn lichaam goed gevormd en jeugdig. Ook al wist hij dat hij aantrekkelijk gevonden werd door genoeg meisjes van zijn leeftijd en zelfs door wat oudere vrouwen. Kiyoshi had seks gehad, hij had vriendinnetjes gehad. Maar hij had nooit begrepen waarom ze zich aan hem gaven. Wat ze van hem verwachtten. Hij had niets te bieden. Hij had niets te geven. En wat hij van hen kreeg, hield al heel snel op hem te boeien.

Hij liep de wc uit en stond in de eetkamer, waar zijn vader over een kom mie-soep gebogen zat.

Kiyoshi ging achter hem staan, keek neer op het kalende achterhoofd en zag hoe de damp van de hete soep als het aura van een geest rond zijn vaders voorhoofd in de lucht hing. Damp die wachtte op het ontdooien van de tijd om verder op te stijgen en zich te verspreiden naar het plafond dat al jaren geleden opnieuw geverfd had moeten worden.

Kiyoshi onderdrukte een vluchtige neiging zijn handen op de schouders van zijn vader te leggen en vroeg zich af waarom hij die neiging had gehad. Ze raakten elkaar nooit aan, vermeden beide ook maar het geringste fysieke contact dat per ongeluk kon ontstaan als ze elkaar passeerden in de nauwe gang, gaven elkaar niet eens een hand op hun verjaardagen.

Hij liep om de tafel heen en bestudeerde de man waaruit hij deels was ontstaan. Aan de lepel die half gevuld was met soep kleefde een sliert mie waaraan een druppel hing die tevergeefs wilde ontsnappen. De spieren van de omhoog geheven arm zouden in deze staat nooit vermoeid raken, nooit verzuren. De kanker in zijn vaders lichaam waarover de artsen hem een half jaar geleden hadden ingelicht, zaaide op dit moment niet verder uit. De gedachte die nu even onbeweeglijk in zijn hoofd vastzat als zijn arm aan zijn schouder, zou die gaan over zijn werk als houtbewerker, over zijn ziekte, over zijn vrouw, over het weer? Misschien over zijn zoon die nu zonder dat hij het wist voor hem stond? Wat die gedachte ook was, hij werd nu niet afgerond. Evenzo was zijn onrust op dit moment in rust en beet zijn pijn nu niet door.

De Betekenislozen PDF website Mat Vaassen

—————————————————————————————————

Mat Vaassen matvaassen

FANILLE VERBOT

De jonge kunstenaar Tom Fanille lijdt aan de vreselijke ziekte FOP (Fibrodysplasia Ossificans Progressiva), waarbij zijn bindweefsel langzaam in bot verandert. Hij heeft een mutatie in een gen van zijn DNA waardoor hij een afwijkend eiwit heeft dat ervoor zorgt dat er bot gevormd wordt in zijn spieren, pezen en ander bindweefsel. Langzaamaan zal hij een soort tweede skelet vormen. Hij is achttien als hij naar de kunstacademie gaat.  Over een paar jaar zal hij mogelijk moeten kiezen of hij zittend of staand door het leven wil, omdat zijn knieën in de ene of de andere stand zullen bevriezen. Zijn kaak zou kunnen vastgroeien, zodat hij alleen nog maar vloeibaar voedsel kan eten en door zijn tanden kan praten.  Als hij zich hard stoot of hij valt, kan er bot groeien op die plek. Als ze hem opereren, groeit er bot op die plek. Elke FOP-er ontwikkelt zich anders, maar als hij een van de erge gevallen is, gaat hij verbenen tot een levend fossiel.

Ondertussen verlangt Tom zoals iedere jonge man naar liefde en seks. Zijn fysieke verbotting veroorzaakt echter in zijn geest een psychische verbotting, die hem van zichzelf en van anderen vervreemd en die hij alleen kan tegengaan door zich met heel zijn wezen op het schilderen en tekenen te werpen. Slalommend tussen drank, zelfdestructief gedrag en een zoektocht naar zijn identiteit als persoon en als kunstenaar, begint hij met zijn werk succes te krijgen, hoewel de als provocerend ervaren beelden tegelijk op weerstand bij een deel van het publiek stuiten.

In deze roman die het leven van Tom Fanille beschrijft, duiken ingeweven korte verhaaltjes op van iemand die gevangen zit in het “lichaam” van een steen. Zo begint de roman met een verhaal waarin vanuit het perspectief van een steen in de muur van een huis in een oorlogsgebied de totale vernietiging wordt beschreven. Een ander maal wordt vanuit een gladde ronde steen geschreven terwijl hij heen en weer wordt gegooid tussen de handen van een jong Japans meisje dat door haar moeder aan oude mannen verhuurd wordt.

Ik ben een steen. Een witte blok in een muur in een huis. Lang geleden gehouwen en gezaagd uit het binnenste van een berg die miljoenen jaren ligt te slapen in een uitgestrekt bergmassief. Als je daarin opgesloten de sluipende tijd doorbrengt, ben je buiten bereik van het leven. Er is geen licht, geen lucht. Geen leven. Het lome vertraagde kreunen van de zware lagen steen op elkaar is het enige waaraan je de tijd kunt wegstrepen, kermende kreun na kermende kreun. Als ik vlees was, zou ik een naakte man zijn die gesmoord wordt onder een miljoen naakte vette wijven. Als ik mijn dromen een vleugje menselijkheid mag geven. Het zit allemaal in mijn stenen geheugen, de schizofrenie van het wachten en lijden, het niets dan steen zijn middenin steen en nog eens godverdomme steen.

En ook al ben ik ontsnapt aan het bergmassief, het is een magere troost. Zestig jaar ben ik nu ondertussen ingebouwd in cement en blokken die niet wezenlijk van mij verschillen. Met dit keer niets te dragen dan een dak, een peulenschil zou je zeggen. De paniek die de steen in het midden van de berg beheerst, claustrofobische paniek van het opgesloten zitten in massa, maar meer nog in tijd, verlaat me ook hier echter geen dag. Het cement bindt me, houdt me gevangen op mijn plek. Dag en nacht denk ik aan ontsnappen, mijn huis van me afgooien, naakt door de regen rennen, in de rivier duiken en naar de oceaan zwemmen. Maar mijn lijf is bevroren. Ik ben een blok.

Ik heb wel enige afleiding. Maar de oorlog een plezant entertainment te noemen gaat te ver. Er is de binnenkant van het huis, trillend rondom de verbondenheid van vier mensen die zich wanhopig proberen te koesteren in een geschonden geborgenheid. En er is de buitenkant, waar menselijke smerigheid en dood onweren boven een stad die op haar buik door het leven tijgert. Vooral angst aan beide kanten. Ik voel het tot in mijn gruis.

Zamir is de hoofdpersoon van mijn huis, een levende zwijger, veel ouder dan de dertig jaar die hij is. Zijn ogen liggen diep en onrustig onder zwarte wenkbrauwen, waarvan zijn twee kinderen zich niet meer herinneren dat ze ooit omhoog zijn geweest. Het eens zo dikke zwarte haar bovenop Zamirs schedel heeft hem verlaten, is gevlucht, bang geworden van wat eronder huist. Net als de stukjes huid die zijn wangen hebben verlaten, pokdalige putjes achterlatend, verdwenen om niet mee te maken wat uit zijn mond zou komen als hij zou uitspreken wat in hem broeit. Maar Zamir spreekt niets uit. Hij slaat zijn behaarde armen om zijn kinderen en zwijgt, omdat hij niet in staat is de man te zijn die een vader moet zijn. Het is de schande die hem doet zwijgen. Omdat anderen dan hij de macht hebben over het geluk van zijn gezin. Een heel klein stukje controle wordt hem gelaten over de kinderen die hij in de wereld heeft gezet. Hij mag ze voeden, kleden, naar bed brengen. Maar dat is alles. Hun leven en hun toekomst heeft hij niet in de hand. En daarom is hij zo hard als een witte kool, blad op blad op blad. Elk blad een blad van schaamte. Van dat soort mensen zou je ook een muur kunnen metselen.

Xxx

Ik lig stil. Mijn hart bonkt. Ik heb het heet, op mijn bovenlip en voorhoofd staat zweet. Het is mis. Goed mis. Met mijn rechtervoet. Iets dat nooit meer goed zal komen. Mijn ogen houd ik gesloten, alsof het weggaat als ik het wegdenk, weer in slaap val en opnieuw wakker word met een gezonde voet.

Maar ik weet dat mijn leven onherroepelijk weer een stukje is veranderd, Ik ben misselijk. Doodmoe van het onoverkomelijke van mijn nieuwe ellende. Ik probeer mijn rechtervoet omhoog te brengen in de richting van mijn scheenbeen. Toen ik wakker werd en me op mijn zij draaide, had ik al gemerkt dat mijn enkel hard was alsof er een gipsen huls omheen gelegd was die mijn voet naar beneden dwong. Nee, niet mijn enkel, was het enige dat ik kon denken, niet mijn enkel.

Ik ga rechtop zitten, sla het dekbed aan de kant. De enige uitwendige verandering die ik aan mijn rechterbeen kan zien is een minimale verdikking van de enkel. En mijn voet is naar voren gestrekt. Ik buig mijn knie en leg mijn onderbeen naar links. Met mijn vingers voel ik rondom de enkel. Hij voelt anders dan normaal. Er is inderdaad bot bijgekomen. Met allebei de handen probeer ik de voet omhoog te trekken, eerst voorzichtig, dan met kracht. Maar er zit geen beweging in. Mijn tenen bewegen wel als normaal.

Als ik met mijn benen naast het bed zit ga ik langzaam staan. Mijn rechtervoet kan alleen op de tenen staan. Ik laat me terug op het bed vallen en leg mijn rechterarm over mijn ogen. Godverdomme, godverdomme, shit!

Xxx

Om mezelf een goed gevoel te geven lees ik door de persartikelen van de Eifel expositie. ‘Tja, zo spot zijn werk met de zwakken, met de slachtoffers, met invaliden.’ Persteksten met zinnen als; ‘Tom concentreert zijn energie op de bespotting, zonder ‘moreel juiste’ boodschap.’ ‘Striemende provocatie, een verbale en visuele donderslag, een verstorende aanroep in al haar bespotting opgedreven tot aan de bevrijdende profaniteit …’ ‘… de kunstenaar, een duidelijke anti-conformist wiens taal zonder grenzen is, steunend op de sterke beelden van de spot.’ ‘En geen persoon blijft onverschillig ten overstaan van deze verstorende boodschappen. De verontwaardiging van de ene wordt beantwoord door het gejubel van de anderen.’ ‘Fanille maakt het zeer bont, hij windt er absoluut geen doekjes om, om ons in onze meest opstandige gedachten te storten. Schoonheid, provocatie en een niet te ontkennen plastische kwaliteit.’ Franstalige recensie: ‘de provocerende wereld van Tom. Een publiek beeld van een persoonlijke openbaring die zich richt aan iedereen, in het volle zicht hangende beelden die de man en zijn familie belachelijk maken, zijn existentie reducerend tot minachting. Cliché, trivialiteit en cynisme vermengt met alledaagse tragiek leveren overtuigend een verhaal dat gewoonweg in onze wereld thuis is.’ Geweldige pers. En ook de reacties van het publiek waren heftig maar overwegend positief.

Het dorp reageerde uitermate negatief en dreigde met vernieling van het werk. Zagen ze dan niet dat mijn werk minachting uitdrukte voor het lot dat met de levens van velen zo verachtelijk omgaat? Ieder huisje heeft toch zijn kruisje. Herkenden ze het leed niet? Ik minacht de mensen niet, maar reduceer hun levens tot minachting. Ik toon hoe levenswensen en verwachtingen op mislukking uitlopen. Wiens bootje kan aan die thematische kade nou niet aanleggen?

xxx

Een half jaar geleden had ik besloten niet meer naar vrouwen te kijken. Helemaal niet meer, nul. Er geen enkele blik meer op werpen. Een absurd voornemen. Maar ik moest het proberen. Op straat erlangs kijken, geen lust proberen te voelen, hun schoonheid volkomen negeren. Thuis niet aan mezelf zitten. Alle spanning ontkennen, wachten tot alle lust uiteen zou vallen in kalme leegte. Als een monnik wilde ik worden, als Benno en Pieter, alle verlangen naar een ander uitbannen. Zo moest ik toch gelukkig worden. Geen verlangen, geen onvrede meer. Het was krampachtig, onnatuurlijk, ik keek bewust weg bij elke vrouw en elke meid die me passeerde. Bij elke set billen die voor me over een fietszadel heen en weer schoof ging mijn blik naar het asfalt. Bungelende, priemende, hangende borsten werden in mijn blinde vlek geneutraliseerd voor ze het lustcentrum in mijn hersenen konden activeren. Bij al die goddelijke gezichten omlijst door lange haren die me voorbij gingen telde ik de bakstenen in de muur naast me. En het begon zowaar te lukken. Ik concentreerde me op het schilderen en probeerde vooral geen vrouwen te schilderen. Ik begon abstract te schilderen, want wat kon ik anders schilderen als het geen naakte vrouwen waren, of naakte mannen die iets obsceens en tegelijk belachelijks uitspookten? Er was alleen een bijwerking die ik op de bijsluiter van dit medicijn niet had gelezen. Ik begon te verstijven, dit keer niet fysiek, maar mentaal. Ik begon een enorme angst te ontwikkelen om met vreemden te praten. Op straat was ik panisch dat iemand me zou aanspreken. Mijn mondhoeken begonnen automatisch in een soort spasme naar beneden te trekken en te trillen bij de confrontatie met een vreemde. Al bij de gedachte dat ik de weg moest vragen aan iemand, man, vrouw, jong of oud maakte niets uit, of iets moest bestellen bij de kassière van de Etos begonnen mijn gezichtsspieren te trillen. Ik werd zo onzeker dat ik bijna de straat niet meer op durfde. Ik haastte me elke dag naar de academie en weer terug, deed snel en trillend een boodschapje en gooide thuis de deur op slot en de ramen dicht. Ik deed mijn jas nergens meer uit waar mensen waren omdat ik dacht dat iedereen naar mijn lichaam zou staren, dat ze de bulten op mijn rug en mijn stijve arm zouden zien. Ik schilderde op de academie zelfs in mijn grijze regenjas, die ik over mijn dicht geknoopte colbert aanhield. Wel stroopte ik mijn mouw op omdat mijn schildershand tot over mijn pols helemaal onder de verf zat. Ook mijn jas kwam onvermijdelijk onder de olieverfvlekken, waardoor ik genoodzaakt was voortdurend te proberen met een doek met terpentine de verf weg te vegen, zo goed als mogelijk want het lukte natuurlijk nooit volledig, waardoor ik na een paar weken de goorste jas aan had en moest overgaan tot een gescheiden buitenjas en een schilderjas. Ik raakte in een diepe depressie.

xxx

We zijn allebei echt ontzettend dronken. We tongen en zoenen alsof er niemand om ons heen staat en we allebei amoureus uitgehongerd zijn. En op zijn minst voor mijn part is dat ook zo. Hoewel de kroeg aardig gevuld is grijpen mijn handen stevig haar billen vast, haar rug, haar haren en til ik haar been omhoog naast mijn heup. Alsof we de enigen in de ruimte zijn rijdt ze haar kruis tegen mijn zwellende geval aan, grijpen haar handen mijn billen vast en duwt ze me in een hoek van het café tegen de muur. Dit heb ik nog nooit meegemaakt. Ze is wild, ze is gek, wat kan mij de wereld om me heen schelen? We zijn allebei gek. En geil. We zijn alleen op de wereld, dit losgeslagen wijf en deze losgeslagen ik.

‘We gaan, kom,’ zegt ze ineens en draait zich om.

Ik vraag de barkeeper een taxi te bellen, hoewel ik geen idee heb waar we dan naartoe gaan. Als de taxichauffeur naar binnen roept dat de taxi er is, lopen we naar buiten.

Ineens komt de barkeeper met wat volk uit de kroeg achter ons aan.

‘Hee, jullie moeten nog betalen.’

Ik weet zeker dat ik betaald heb. ‘We hebben betaald,’ laat ik die hufter weten. Van mij krijgt hij geen cent.

‘Ja, klootzak,’ scheldt Marilène, ‘je probeert ons te naaien. Vuile hufter!’

De barkeeper wordt kwaad en beweert dat we helemaal niets hebben betaald en gewoon naar buiten zijn gelopen.

Terwijl Marilène hem de huid vol scheldt proberen mijn dronken hersenen te achterhalen hoe de laatste minuten zijn verlopen na ons hevige gevoos. Het zou kunnen … denk ik ineens. Ja, in feite … hij heeft gelijk. We hebben helemaal niet betaald.

Ik wil mijn excuses aan de barkeeper aanbieden, maar word onderbroken door de taxichauffeur die scheldt dat hij maar staat te wachten en eindelijk wil gaan rijden. Voordat Marilène hem een pak rammel geeft besluit ik de chauffeur tien euro te geven en zeg dat we geen taxi meer nodig hebben. Mopperend klimt hij in zijn voertuig.

De barkeeper betaal ik en ik zorg ervoor dat mijn fooi met duizend welgemeende sorry’s gepaard gaat. Met een chagrijnige kop verdwijnt hij in z’n kroeg, gevolgd door het kroeggepeupel dat waarschijnlijk het liefst een matpartij had gezien.

Voor de gein pak ik mijn zonnebril uit mijn jaszak en zet hem op als demonstratie van mijn grote schaamte. Marilène grijpt met beide handen mijn gezicht vast en begint me zo heftig te zoenen dat ik bijna omval. Een van de poten van mijn zonnebril breekt af, maar het zal me een zorg zijn, ik slinger het ding in de donkere struiken.

We lopen een eind, tot ik ineens een klein hotel zie dat onopvallend tussen de huizen ligt ingebouwd.

‘Kom, we nemen een kamer,’ zeg ik.

We vallen meer het hotel binnen dan dat we lopen. Schaterend knallen we tegen de deur aan, goedenavond roepend tegen de jongen die de nacht achter de balie moet doorbrengen.

Hij vraagt me naar mijn id en verzoekt me beleefd mijn naam op een formulier in te vullen. Mijn id heb ik niet bij me, maar het geld dat ik vooruit moet betalen is blijkbaar belangrijker. Honderdvijfenvijftig euro, veel te veel voor het soort hotel dat het is, maar mogelijk heeft onze buitensporige luidruchtigheid en dronkenschap de prijs wat opgedreven. Misschien zijn te verwachten schadeposten inbegrepen. Bij mijzelf huist eenzelfde gevoel. Je weet maar nooit wat wij vannacht nog gaan uitspoken, dus ik vul de naam in van Paul Zeeles, mijn edele flesjes-en-potjes-stillevendocent.

‘Wat staat hier?’ vraagt de jongen en schuift het formulier terug naar mij.

Met moeite ontcijfer ik mijn dronken hanepoten die Paul Zees zeggen.

‘Oh ja, foutje,’ lach ik en doe mijn best nog een l en een e in de achternaam te proppen.

Ondanks mijn doorzichtige frauderen krijgen we netjes de sleutel naar onze suite overhandigd.

xxx

Ik hang boven een bak Chinese noodle soep en probeer me de details te herinneren van de afgelopen nacht. Ik ben zo brak als een op de klippen gelopen en leeggeplunderde driemaster. Toen ik ging slapen voelde ik me zo trots als een glad aan de wind lopende vijfmaster. Maar nu …

Wat zijn we zonder remmen en zonder remmingen in elkaar gestormd vannacht, Marilène en ik. Wat een beesten waren we. In de gang begonnen we elkaar al uit te kleden. We hebben geneukt als gekken, gelikt als gekken, geschreeuwd. In de waas van seks en vlees waarin ik rond tolde als in een Salvador Dali-aanse droom leek het alsof alles wat uitstak aan onze lichamen overal in gestopt werd waar het in paste. Zij gebruikt de pil, dus ik heb mijn zaad in haar gespoten, maar weet ook nog dat ik het door de kamer geslingerd heb. Geen enkele beschaving, geen goede opvoeding, geen moreel besef liet me een seconde denken aan het interieur of aan degene die de dag na onze orgie de kamer zou moeten kuisen. We hebben ook nog wat geslapen, ik heb geen idee hoe kort, het kunnen niet meer dan een paar uur geweest zijn. We hebben weer seks gehad, we zijn in de douche bezig geweest. We hebben ons uiteindelijk aangekleed en hebben de kamer achtergelaten als een zwijnestal. Toen we beneden de balie passeerden, suf van de drank en de nacht, zat er tot mijn opluchting niemand. We zijn naar buiten gelopen, de straat op. Lief hebben we afscheid van elkaar genomen. Ik naar mijn huis op weg, zij naar het huis dat ze met Hyun-Ki bewoont.

Ik heb vanmorgen nog een paar uurtjes in mijn eigen bed geslapen. Om twaalf uur belde ze.

Ze huilde.

Ze kon niet uitleggen waarom.

Ik begreep het niet. Zij was toch een wilde meid, zij had mij versierd en meegesleurd in deze heerlijke, krankzinnige nacht. Zij was toch zo iemand die zich niets van de anderen aantrok. Had ze het dan niet fijn gevonden?

Ze zei van wel. Het was voor haar heel leuk en ook heel lekker geweest en ze vond me heel lief. Ze had er zeker van genoten. Maar toch had ze er spijt van. Was het dan misschien om Hyun-Ki?

‘Nee, wij hebben geen seks met elkaar,’ zei Marilène. ‘Ik heb hem niet bedrogen.’ Maar dat hebben ze dan ooit toch wel gehad, zou ik denken. Hebben ze dan geen relatie met elkaar? Ik wilde hierover niet doorvragen.

Ze had spijt dat ze zo los was gegaan. Ze kende me helemaal niet voordat ze me had ontmoet in de Melkweg. Zo was ze namelijk niet.

Ik zweeg. Natuurlijk wist ik wat haar mankeerde. Eigenlijk meteen al toen ik haar gesnotter hoorde. Ze had een vieze nasmaak van ons avontuur overgehouden omdat ik een mismaakte lelijkerd ben. Vannacht was ze te dronken om zich wat van mijn vergroeiingen aan te trekken. Maar toen ze thuis in haar eigen bed wakker was geworden zag ze ineens voor zich met wat ze vannacht geneukt had. Wat voor walgelijk lijf ze had aangeraakt en wat voor walgelijk lijf over haar eigen mooie lijf heen was gegaan.

Ik legde de telefoon neer en besloot me ondanks haar verraad niets te laten afpakken. Ik had recht op deze herinnering.

En nu hang ik boven mijn soepkom en zink naar de bodem van mijn eigenwaarde.

DOWNLOAD HIERONDER GRATIS DE  PDF-VERSIE VAN FANILLE VERBOT:

Fanille verbot Mat Vaassen

——————————————————————————–

Mat Vaassen matvaassen

XU EN DE TARTVIS

Lua-Li Xu is zes jaar oud, hoogbegaafd, hoog sensitief en hermafrodiet. Op een dag bindt ze haar keel af met een ijzeren draad, waardoor ze een hersenbeschadiging oploopt. Het gezin emigreert naar België, waar moeder Shu-Jia werk vindt in Café Jeroom.

Ze verstopt zich onder de stamtafel van het café en weet haar leven vanaf dat moment haast uitsluitend onder de tafel door te brengen. Onder de stamtafel bouwt Lua-Li de volgende acht jaar vol ijver aan haar eigen aangetaste universum, dat verwordt tot een ironische afgeleide van het universum van Café Jeroom dat zich elke dag om haar heen ontvouwt en van de internetwereld die ze aantreft op een smartphone die ze vindt.

Lua-Li ontwikkelt een alter ego dat ze vanuit haar schuilhut op de gasten van het café afstuurt. Dat alter ego is brutaal en infiltreert in de levens van de gasten. Wanneer Jeroom De Dag van het Ontbijt organiseert, worden de hoofdrolspelers in Lua-Li’s volgende macabere toneelstuk opgevoerd.

Xxx

“HET MENU.” Jerooms harde stem legt iedereen het zwijgen op. “We beginnen ons ontbijt à la Jeroom met: Cornflakes in whisky … EN VERDER …” vervolgt Jeroom. “Brinta in warm bier.”

Antoine, een mislukte schrijver die zich aan de grote mislukkingen in zijn leven probeert te onttrekken door ze in zijn eigen geest te verdringen en ze toe te schrijven aan de personages van zijn boeken, wordt in Lua-Li’s universum zelf een gekweld en bespot personage.

‘Antoine staat te stampen en te slaan naar de vlammen die zich in zijn broekspijp vastbijten, terwijl ik achter hem op de stoelleuningen ga staan en zijn grijze haar in brand steek. “Je bent volslagen krankzinnig, stom kind,” huilt hij in paniek, zijn hand eerstegraads verbrandend. Ik geef hem een duw, hij breekt het glas en de houten spalkjes van het raam met gemak met zijn zware lichaam en stort vanaf de eerste verdieping naar beneden.’

Met Kemal de Turk brengt Lua-Li een bezoek aan diens droomwereld, waar zijn vrouw en kinderen, die hem twintig jaar geleden hebben verlaten, nog steeds een authentiek huisje bewonen in een idyllisch Turks bergdorpje en elke avond liefdevol wachten op hun man en vader. Met de achttienjarige Thierry stort Lua-Li zich in een wervelende carnavalsnacht die in een Sodom en Gomorra uitmondt.

‘Zondag werd geopend door wat Jeroom een Zaat Hermenieke noemt, een dronken fanfare. Een vrolijke club muzikanten die een drie dagen durende tsunami van oorverdovende muziek en schreeuwende, dansende, zingende en lallende feestvierders inluidde. Bij tijden zwol het publiek aan tot een boterdikke walvis die op de ritmische tonen van Braziliaanse trommels, trompetten en stemmen heen en weer golfde tussen de muren en alles en iedereen met zich mee sleurde tot de wanden leken te buigen.

En dan bekijk ik tenslotte het pièce de résistance: Thierry draagt een tien centimeter lange vleeskleurige fopneus met daar over heen een funcondoom afgerold tot de neusvleugels. Het uiteinde van het condoom is een klein handje met holle rubberen vingertjes. Ik vraag me af wat voor effect het binnenin de vagina heeft, hoewel het vast niet de bedoeling is dat het condoom bij het liefdesspel op de neus gedragen wordt. De seksuele intonatie die het condoom op de lange neus aan Thierry’s verkleding geeft mag duidelijk zijn. Thierry houdt van seks. Thierry wil seks. Thierry heeft deze dagen seks nodig als een verdwaalde in de woestijn water nodig heeft. Maar van welk schepsel wil hij die intimiteit verkrijgen vraag ik me af. Thierry heeft zijn gezicht wild wit geschminckt, met knalrode lippen die in een wijde grijns ver voorbij de lipgrenzen zijn gekalkt, draagt felgroene oogmake-up op zijn bovenste oogleden tot aan verhoogde en zwaar opgezette zwarte wenkbrauwen, en geschmierde rouge op de wangen. Thierry is een hoer. Thierry is een clown, een sukkel, een man, een vrouw, een travestiet, een idioot, grappenmaker, zatlap, perverseling en carnavalsvierder. Hij is perfect. Ik vind hem schitterend. Volmaakt onvolmaakt.’

De kettingrokende Stef krijgt van Lua-Li een paar schone externe longen aangemeten, en de eenzame homo Gertje wordt wel bijzonder warm omhelsd door de ex-kooivechter Eddy en diens vriendin Carmen.

Een van de gasten laat voor Lua-Li een gigantische speelkathedraal onder de vloer van het café bouwen. Via een luik onder haar tafel daalt Lua-Li af in de nieuwe wereld waarin ze vanaf dat moment haar fantasie uitleeft. Lua-Li’s wereld kent geen moraal en spaart niemand die er een rol in speelt. Het lijkt de bedoeling van Lua-Li’s hersenen een beschutte glazen bol te creëren, die haar beschermt van de boze werkelijkheid. Maar wanneer ze de bol schudt, dwarrelt er obsceniteit en leugenachtigheid naar beneden.

DOWNLOAD HIERONDER GRATIS DE  PDF-VERSIE VAN XU EN DE TARTVIS:

Xu en de Tartvis Mat Vaassen

——————————————————————————————

Mat Vaassen matvaassen

Dulfer, alcoholist en mopperaar, krijgt wanneer hij veertig is twee hersenbloedingen. Als hij bijkomt na zijn eerste beroerte, hij ligt in zijn onderbroek op de badkamervloer, ligt er een klein potloodje naast hem in het doucheputje. HB – CEDERHOUT. Telkens weer leest hij die woorden, zonder dat er ook maar een greintje betekenis aan kleeft. HB – CEDERHOUT. Het lijkt alsof zijn denken is uitgezet. Hij leest, maar begrijpt niet. Hij heeft geen besef van zichzelf. Hij weet zijn eigen naam niet en niet dat hij geleefd heeft tot op dit moment. Zo ligt hij tien minuten lang. Dan ziet hij hoe een hand naar het potlood toe kruipt en het vastpakt.Dulfer krijgt vier maanden later een tweede beroerte, waarna hij gaat nadenken over wat hij in zijn leven gepresteerd heeft. Hij kan het gevonden potloodje niet uit zijn hoofd zetten en begint te vermoeden dat het geen toeval is geweest dat hij het vond op zo’n cruciaal moment in zijn leven. Het potlood moet een teken zijn. Een bovennatuurlijke inmenging in zijn leven. Want zijn leven is tot nu toe een puinhoop geweest. Dulfers relatie met zijn vrouw is dramatisch. Ze heeft pleinvrees en moet overgeven als ze seks met hem heeft. Hij bedriegt haar met een maîtresse die hij een dweil van een vrouw noemt. Zijn kinderen haten hem omdat hij zich nooit iets van hen heeft aangetrokken. Zijn baan is dodelijk saai en Dulfers enige vriend en kroegmaat Fredo is een nog grotere loser dan hij. Bovendien is Dulfer een onbeschofte klootzak, egocentrisch, cynisch en sarcastisch. En daarom is hem het potlood gegeven. Hij is teruggestuurd van de hemelpoort. Met een potlood. Dulfer gaat Het Boek van de Hoop schrijven. Voor zijn kinderen. Het leven is geen bak bagger. Het is een feest. Aanvankelijk is Dulfer ervan overtuigd dat hij net zo lang zal leven als hij met het potlood aan zijn boek zal schrijven. Als het potlood helemaal weggeschreven zal zijn, is zijn tijd op aarde om. Schrijven kost levenstijd. Elk woord, elke zin brengt hem dichter bij de dood. Hij schrijft slechts in medeklinkers, om levenstijd te sparen. Totdat tot hem doordringt dat niemand zijn medeklinkerschrift ooit zal kunnen ontcijferen.

‘Ongeveer een halve maand lang heb ik geprobeerd mijn arme, zielige vrouw te begrijpen. Ik heb geprobeerd het van haar kant te zien. Compassie te tonen. Mijn libido op ijs te leggen. Maar ja, ik ben nou eenmaal een man met een sterke geslachtsdrift. Ik kan niet zonder. Als ik drie dagen niks gehad heb, word ik somber, depressief en chagrijnig. Nou, en of Ankie dat gemerkt heeft, zeg. Maar het hielp niks. Ankie moest zelfs een keer overgeven toen ze mijn lul aanraakte. Echt overgeven. Met brokstukken en al. Toen was de maat vol voor mij. Meteen de volgende dag ging ik naar de hoeren.’‘Als ik nu dood zou gaan, wat zou er dan voor residu overblijven van de chemische reactie tussen mij en het leven? Fredo zou zich doodlachen. “Reactie tussen jou en het leven? Wat lul je nou over een reactie, Dulfer? Jij hebt in het leven liggen drijven als een dooie vlieg in een stilstaand modderpoeltje.” En dan kan ik hem alleen maar gelijk geven.’Het hoofdpersonage van Het Boek van de Hoop, degene die Dulfers wereld moet redden, is Jan-Douwe. Een geweldig kind al in de baarmoeder. Een fenomenale positivist, met een absoluut geloof in het leven en in geluk. Deze persoon tussen superheld en heilige moet Dulfers kinderen het begrip levensgenot bijbrengen.‘Als ik hem een dag later bel, antwoordt Jan-Douwe dat hij wil afspreken op de schaatsbaan. Hij schaatst schitterend. “Het leven volgt mij,” roept hij lachend. “Veel beter!” “En je volgelingen?” roep ik terug. “Idioten. Trekken nog steeds strepen in het Spaanse landschap. Ze hebben het niet begrepen.” Ik knik en volg Jan-Douwe naar de kleine bar naast de schaatsbaan, waar hij twee glühwein bestelt. “Ik ben trots op je, pa,” zegt hij. Hij kijkt me met zo’n heerlijk open blik aan, recht in mijn ogen, dat ik bijna smelt van ontroering. “Jij hebt me gemaakt en ik vind mezelf … gewoon geweldig.” Zijn perfecte witte tanden lachen oprecht. “Dank je, vader.” “Ik heb mijn best gedaan,” stamel ik. “En jouw best is mij meer dan best,” antwoordt mijn geesteszoon.’

Ondertussen doet ook Dulfer wanhopig zijn best Jan-Douwes levensvisie in de praktijk te brengen. Maar het werkelijke leven blijkt minder gemakkelijk te kneden dan de levens van romanfiguren. Het ene moment voelt Dulfer zich een majesteitelijke driemaster, die trots door hoge golven van geluk glijdt, het andere moment is hij een lekke roeiboot zonder peddels, zinkend in een oceaan van ellende.

DOWNLOAD HIERONDER GRATIS DE  PDF-VERSIE VAN NEERWAARTS KAP’TEIN:

NEERWAARTS KAP’TEIN Mat Vaassen

——————————————————————————————

Mat Vaassen matvaassen

Hart lijdt sinds zijn geboorte aan een vreemde en extreme aandoening. Zien doet hem pijn. Als hij kijkt, steken de beelden hem als naalden in zijn ogen om vervolgens in zijn hoofd te exploderen in een barstende hoofdpijn. Als baby heeft Hart zijn ogen de meeste tijd gesloten. Maar hij wil de wereld om hem heen ontdekken en hoewel hij als kind naar de blindenschool gaat, maakt hij toch gebruik van zijn zicht.

De kleine Hart merkt dat het bekijken van verschillende dingen ook een verschillende mate van ellende veroorzaakt. Het gezicht van zijn moeder staat helemaal boven aan de lijst van gruwelijk folterende beelden. Ook de verschijning van zijn vader veroorzaakt een behoorlijke kwelling. Kleurig, bont speelgoed, knuffels, die hoe zacht en aardig ze ook lijken in het zicht een marteling zijn, de speen; al deze zaken, die elk ander kind tot zijn lievelingsvoorwerpen telt, veroorzaken bij Hart steeds vaker een krijsen dat de ouders tot wanhoop drijft. Het kijken naar een egaal vlak, zoals de muur, waar weinig spannends in te ontdekken valt, is in mindere mate pijnlijk. Dus als Hart kan kruipen en alleen rechtop kan zitten, treffen zijn ouders hem meer dan eens aan in zijn slaapkamertje, terwijl hij op de vloer zit met zijn gezicht naar de muur. Zijn oogleden tot spleetjes geopend. Zo zit hij daar soms uren achtereen. Af en toe schiet zijn hoofdje naar rechts in de richting van een felgekleurde pluche papegaai die aan de muur hangt of naar links naar een mobiel met uit hout gezaagde jungledieren. Vrijwel onmiddellijk schiet zijn hoofd dan echter weer terug in de stand waarin hij alleen het monochrome vlak van de muur ziet. Het lijkt een vreemd spelletje. Zijn ouders begrijpen absoluut niet wat hun kind doet.’

Op het moment dat hij de liefde ontdekt, ontdekt hij pas hoezeer de mate van pijn die hij voelt bij het bekijken van een persoon of een object evenredig is met de schoonheid die hij die persoon of dat object toedicht. Het zien van de persoon waarop hij verliefd is, stort hem in een inzinking. Hij besluit het fenomeen schoonheid te onderzoeken. Bij een bezoek aan een museum ontmoet hij Cécile. Zij is geïntrigeerd door Hart en besluit hem in de wereld der kunsten in te voeren.Als een nieuwe liefde van Hart sterft, verandert zijn hele leven. Hij raakt in een coma en blijkt als hij uit het coma ontwaakt met zijn ogen zieken te kunnen genezen. Na de aanvankelijke euforie over zijn supermanstatus, neemt hij een aantal verkeerde keuzes en verliest iedereen die hem dierbaar is en zichzelf.

‘Hart zit in het halfdonker verscholen aan het uiteinde van de bar. De mensen die in Foxie’s werken vinden Hart een idioot. Hij komt naar de stripteasebar, maar zit daar praktisch de hele nacht met zijn ogen dicht. Maar Hart is niet gek. Hij kijkt. Zoveel als hij kan verdragen. Zoveel als hij nodig heeft. Hij ziet hoe Sonja professioneel als altijd rond haar paal danst. Hoe Mireille zoals elke keer haar string op een weinig prikkelende wijze van haar billen schuift. Hij ziet de prachtigste borsten van de bar onder de trotse glimlach van Jacqueline. Maar vannacht doet het hem weinig. Hij is al te ver heen.’

Hart krijgt een tweede kans en komt in aanraking met de oorzaak van zijn aandoening. Hij maakt een reis naar de oorsprong van zijn pijn en zijn gave om te genezen. Die bevindt zich in Suriname, waar tweehonderd jaar geleden een vloek over een van zijn voorouders is uitgesproken. Een Obia-man heeft de vloek tweehonderd jaar weten te verplaatsen en een zegen bijgevoegd.

“De Kabra voelt dat hij thuiskomt,” zegt Storkroe met een diepe zachte stem. “Moeten we in het huis zijn?” vraagt Hart. “Nee. We gaan naar de plaats waar ooit de slavenvertrekken waren. In jouw voorouder woonde Adoemankama. Hij zal zich veel vergrepen hebben aan jonge slavinnen.” Alsof Storkroe een ingebouwde kompas heeft, sluit hij zijn ogen en loopt hij weg van het huis de grasvelden door. In het huis blaffen boze honden. Hart volgt Storkroe op een afstand. Als Storkroe blijft staan, blijft ook Hart staan. Storkroe haalt de jute zak van zijn schouder en zet hem behoedzaam op de grond neer. Uit de zak wordt een kalebas gehaald, een trommel, een spiegel, kaarsen, botjes, fruit, gedroogd vlees, potjes met zalf en poeder en kleine met symbolen beschilderde leren zakjes die zijn dichtgenaaid. “Ga zitten. Trek je schoenen en sokken uit. Laat je armen langs je zij hangen en hou je benen wijd. Kruis ze niet. Sluit je ogen.”

DOWNLOAD HIERONDER GRATIS DE  PDF-VERSIE VAN HART:

HART Mat Vaassen

————————————————————————————–

Mat Vaassen matvaassen

Barend Veldermaat laat zijn zoontje Binno tussen diens tweede en vijfde levensjaar een serie chirurgische ingrepen ondergaan om hem uiterlijk van een gewoon kind te veranderen in een kind met het syndroom van Down.

‘In het bed ligt een klein hoopje van een kind. Het gezichtje rond de ogen ingepakt in verband. Alleen de middelste stukjes van de ogen zijn open gelaten. Er is duidelijk te zien dat de oogleden zwaar opgezwollen zijn. Slangetjes lopen uit het kleine neusje en blauwe en rode vlekken komen vanachter het witte gaas tevoorschijn. Elselien voelt dat ze een beetje misselijk in haar maag wordt . Ze wendt haar gezicht af van haar kind. Barend glimlacht terwijl hij naast het bed van Binno gaat staan. Hij buigt zich voorover om zijn zoontje van dichtbij te bekijken. Op dat moment opent het jongetje langzaam zijn gezwollen oogjes tot een minuscuul stukje van de pupil door een smal spleetje naar buiten tuurt. “Je lijkt wel een klein boksertje dat net zijn wedstrijd verloren heeft, jochie,” fluistert Barend.’

Zoals Veldermaat zijn zoontje voor het leven verminkt, houdt hij zich haast dagelijks bezig met mensen op de meest uiteenlopende manieren in het verderf te storten. Binno’s moeder, Elselien, haat haar zoontje en laat hem opgroeien onder de hoede van de oude Margaretha, een vrouw met beperkte geestelijke vermogens.

Door de gruwelijke operaties, die hij steeds moet ondergaan, de lange herstelperiodes die elke keer volgen en de zware medicijnen die hij gebruikt, wordt Binno een jongetje met een labiele geestelijke en lichamelijke gezondheid. Hij wordt ver gehouden van enig contact met andere kinderen totdat hij op zijn vijfde klaar is voor de maatschappij en de grote school. Hij merkt dan dat niet alleen zijn ouders niet van hem houden, maar heel veel mensen hem vreemd bekijken en hem niet prettig behandelen. Ondanks alles weet Binno een beminnelijke persoonlijkheid te worden met een sterk karakter. Hij creëert zijn eigen speelkameraad in zijn hoofd; zusje. Zusje is een eigenwijs, ondeugend kind, dat er precies als Binno uitziet, behalve dat ze lang haar heeft en een jurk draagt. Zusje verschijnt en verdwijnt zoals het haar uitkomt en steunt Binno of gaat koppig tegen hem in.

Na een ingrijpende gebeurtenis, belandt Binno in Brussel. Vanaf dat moment beleeft hij bizarre en wonderbaarlijke avonturen.

“Ik wil mijn lippen rood. Ik heb de prachtigste lippen.” Het blauwe lingeriesetje huppelt op en neer van verwachting als Binno zijn wijsvinger in zijn eigen bloed doopt.“ Ik kan je lippen niet zien. Doe het zelf maar.” Het blauwe setje pakt Binno’s vinger vast en geroutineerd als ze in die vele jaren van lipverven is geworden, gebruikt ze Binno’s vinger vakkundig als lippenstift zonder een stukje over te slaan. Ze perst haar lippen op elkaar en opent ze daarna een heel klein beetje zoals ze geleerd heeft om een verleidelijk effect te bewerkstelligen. “Nou, hoe is het?” De andere twee onzichtbare meiden applaudisseren. Maar Binno vindt het er maar naar uitzien, zo’n losse, bloedrode mond, die in de lucht danst. “Nu ik, nu ik,” roept het rode setje, terwijl ze in haar handen klapt. “Ik wil mijn wimpers gedaan. Mijn lange wimpers zijn het mooiste aan mijn hele lichaam.” Binno duwt voorzichtig op zijn wond. Het doet best een beetje zeer. Weer veegt hij met zijn wijsvinger door het bloed. En weer wordt zijn vinger op professionele wijze gebruikt voor de maquillage. “En, ben ik schoon, wat vindt ge?” Binno vindt deze zwevende oogloze wimpers zelfs nog enger dan de lippen. Maar hij is te beleefd om dat te zeggen. “Wauw, prachtig,” zegt de rode mond enthousiast. “Gij hebt inderdaad prachtige wimpers.” “En nu ik,” zegt het zwarte setje op haar beurt. “Ik heb prachtig lang haar. Kunt ge dat verven, lieve Binno? Eigenlijk is het zwart van kleur. Maar ik ben al tevreden als ge het bloedrood kunt kleuren.” “Ja, zijn jullie dan helemaal gek geworden?” valt Amandus boos uit naar het drietal. “Denken jullie dat Binno hele emmers bloed gaat laten vloeien, alleen om aan jullie schoonheidsobsessie te voldoen? Jullie denken er alleen maar aan jezelf op te kalefateren. Een mens is meer dan zijn uiterlijk. Jullie drieën zijn inderdaad niks anders dan etalagepoppen voor jullie ondergoed.” “Hela, ge moet niet zo kwaad worden,” reageert het zwarte setje beledigd. “Gij hebt u ook laten beschilderen. Alleen omdat gij te lelijk en te oud zijt, hebt ge u zo belachelijk laten toetakelen. Wij zijn jong en mooi en dat mag gerust gezien worden.” Dan wendt ze zich weer tot Binno. “Allee, misschien is het inderdaad teveel gevraagd om mijn haar te verven. Maar kunt ge dan mijn nagels doen?” Binno knikt. Hij begrijpt niet waarom Amandus zo boos is. Als hij die drie nu gelukkig kan maken. Even later fladderen tien bloedrode vingernagels naast een zwart lingeriesetje door de lucht.’

DOWNLOAD HIERONDER GRATIS DE  PDF-VERSIE VAN BINNO:

BINNO Mat Vaassen

———————————————————————————-

Mat Vaassen matvaassen

Als Mädchen, een jonge vrouw van 32 jaar, na de dood van haar kleine dochtertje en na een leven vol ellende over de kop dreigt te gaan, komt ze via een schokkende gebeurtenis in “de buitenwereld” terecht.

‘De man zucht. ‘Je wilt weten waar je bent? Weet ik niet. Je wilt weten waar we naar toe gaan? Weet ik niet. Je wilt weten waarom je hier bent? Goed. Dat zal ik je vertellen. Jij hebt gigantisch gefaald in je leven.’ De man kijkt nu op Mädchen neer met een sarcastische uitdrukking op zijn gezicht. ‘En da’s niet netjes, hè? Da’s vies hè? Falen, da’s, tja hoe zal ik het zeggen? Falen is obsceen. En daarom ben je uitverkoren. Jouw lijden is blijkbaar wat bijzonders. Al zou ik zelf niet weten wat er bijzonderder aan jouw lijden is dan aan dat van andere mensen. In ieder geval moet je aan boord van deze trein komen. Ik ben het zat om op je te wachten.’ Mädchen kijkt om zich heen. Ze is dood. Dat moet wel. Dit is haar hel. Dit is haar straf. De straf die ze heeft verdiend omdat ze niet heeft gedeugd. Omdat ze haar dochtertje heeft laten sterven. Omdat ze heeft gefaald en omdat ze een dwaas is.’

Mädchen wordt verteld dat zij de Verlosser is, de Dochter van God. Dat zij mensen van hun lijden kan verlossen. En dat zij een spel moet spelen, waarvan de hoofdprijs is dat ze haar dochtertje zal terugkrijgen. Mädchen begeeft zich op reis in een surrealistische, vleeskleurige trein om mensen te verzamelen die lijden. De mensen die ze ontmoet, hebben met elkaar gemeen dat ze hun falen tot in het idiote beleven en tot in het extreme belijden. Ze kunnen of willen niet ontsnappen aan hun drama. Het zijn zieligerts en stumpers. Ze klampen zich met heel hun ziel aan Mädchen vast en bombarderen zichzelf tot haar apostelen. De reizigers worden vergaard tijdens de diverse stops die de trein maakt. Zo wordt Mädchen in Antwerpen door een sekte gegijzeld. Ze ontmoet een man en een vrouw die door de sekte gevangen gehouden en gefolterd worden. De vrouw is zwanger van een gehandicapt kind. In een hallucinerende confrontatie met het stel maakt Mädchen op de meest gruwelijke wijze mee hoe het kind geboren wordt en vervolgens door de vader wordt vermoord. Mädchen weet te ontsnappen en bevrijdt hierbij tevens haar twee eerste apostelen uit de handen van de sekte.

‘En het is natuurlijk niet gezegd dat als God een nieuw kind op onze wereld zet, dat het dan allemaal weer op dezelfde manier moet gaan als bij Jezus. Ik zou bijna zeggen, integendeel. Niet dat Jezus niet heeft volbracht waarvoor hij op aarde is gekomen. Jezus heeft ons Verlost van onze zonden, zodat wij na ons leven bij God de Heer het eeuwige leven kunnen leiden. Maar hij heeft ons niet bevrijd van de vele kwellingen die ons tijdens dit aardse leven zo tormenteren.’ Het gezicht van de monseigneur vertrekt terwijl hij dit zegt in een pijnlijke grimas, alsof hij aan zijn eigen lijf heeft ervaren wat die kwellingen inhouden. ‘Misschien is het wel God’s tweede plan om ook onze wonden hier van ons weg te nemen. Als het ware een definitieve terugkeer naar het paradijs. Zodat ieder mens vanaf zijn geboorte nooit meer pijn zal voelen.’ De hulpbisschop kijkt omhoog door het plafond van zijn keukentje heen en glimlacht. ‘Het eeuwige geluk, beginnend bij de geboorte. Iedereen gezond en gelukkig. Het ware paradijs. Niet pas na de dood, begrijpen jullie, maar nu al. In dit leven.’ Hij richt zijn ogen weer op Mädchen. ‘En wie zou dit beter kunnen inleiden dan een vrouw, een moeder? Zij weet dat pijn en geboorte met elkaar verbonden zijn. En zij staat, omdat ze baart, met beide benen in het leven geplant. De man stort zijn zaad buiten zichzelf en buiten hem wordt de vrucht ontwikkeld en geboren. Jezus was een man en hij heeft de hemelse Verlossing na het leven voor ons veroverd. Een vrouw, met haar binding aan het leven, zou bij uitstek degene kunnen zijn die de Verlossing in het aardse leven kan veroveren. Waarom geen vrouw? Ten tijde van Jezus had de vrouw een ondergeschikte positie. Nu, in deze tijd, is het heel anders. Vrouwen worden steeds zelfstandiger en sterker. En jij, Mädchen, hebt bewezen dat je sterk bent. Je hebt deze twee arme zielen,’ hij wijst naar Eva en Christiaan, ‘gered. Met inzet van je eigen leven. En toch ben je kwetsbaar. Je weet wat lijden is. En je draagt een gewaad van kwetsbaarheid, een roze zomerjurk met ruches.’’

In Haarlem ontmoet Mädchen een jonge vrouw die door eenzaamheid tot zelfmoord wordt gedreven. De vader van de vrouw, die hulpbisschop van de St.Bavo-kathedraal is, herkent in Mädchen de nieuwe Heiland. Mädchen overnacht in het huis van de hulpbisschop, waar opnieuw bizarre dingen gebeuren. Ze maakt een krankzinnige metamorfose door wanneer haar geest in het lichaam gezogen wordt van de hond Bobby, de enige metgezel van de jonge vrouw.

Als het reisgezelschap na vele extreme avonturen voltallig is en de vleeskleurige trein door het Nederlandse landschap dendert, biedt een mysterieuze stem die zich manifesteert via de intercom van de trein, het reisgezelschap een spel aan, waarmee elk van de spelers zijn diepste verlangen vervuld kan krijgen. De opdrachten zijn echter levensgevaarlijk en drukken elk van de reizigers met hun neus op zijn of haar grootste tekortkomingen. De kansen zijn niet eerlijk, maar de mogelijke winst is hoog.

‘Zullen we dan maar?’ Mädchen pakt een kaart voor Adje en overhandigt hem die langzaam, zonder dat iemand kan zien wat er op de kaart staat. Dan neemt ze haar eigen kaart.  Iedereen om hen heen kijkt in gespannen stilte van Mädchen’s naar Adje’s gezicht en weer terug. ‘Nou?’ vraagt Christiaan ongeduldig, ‘wat staat er op, wat moeten jullie doen?’ Adje kijkt van z’n kaart naar z’n lamme benen en dan weer naar de kaart. Hij leest voor wat er op staat. ‘Ik zeg u; sta op, laat uw rolstoel achter, en ga naar huis.’ Adje kijkt weer naar zijn benen en dan, vragend, naar Mädchen. ‘Wat staat er op jouw kaart?’ Mädchen leest het aarzelend voor. ‘Kies één van de twaalf uit. Diegene zal sterven, zodat de lamme weer zal lopen.’ Even is het stil. ‘Dat is niet eerlijk,’ roept Adje. ‘Dat is verdomme niet eerlijk!’ Mädchen kijkt Adje verslagen aan. ‘Wat een rotstreek,’ zegt Christiaan. ‘Wat een schofterige, smerige klootzak.’ ‘Ik kan toch niemand hier ter dood veroordelen,’ zegt Mädchen hulpeloos. ‘En hem dan?’ zegt Christiaan. Hij wijst Bert aan.

MÄDCHEN” beschrijft het ongeluk van de kleine mens die tegen het lot niet opgewassen is. Het is een boek dat het beklemmende, obscene avontuur van het mislukken beschrijft. Maar ondanks het feit dat het boek de mens gruwelijk bloot en kwetsbaar afbeeldt, of juist daardoor, is het op veel momenten ook zeer komisch.

DOWNLOAD HIERONDER GRATIS DE  PDF-VERSIE VAN MÄDCHEN:

MÄDCHEN Mat Vaassen


Mat Vaassen matvaassen

De Farm (novelle) vertelt over de nachtelijke avonturen van boer Polenko en zijn zwager Turk in de mestkuil achter hun boerderij. Deze kuil aan de bosrand wordt het toneel waarop de twee mannen hun woeste verlangen om de grenzen van het pure existeren te overschrijden botvieren.

DOWNLOAD HIERONDER GRATIS DE  PDF-VERSIE VAN DE FARM:

De Farm PDF